chat

‘Schoolvakanties waren de hel’

Gepubliceerd op 16 november 2020
‘Schoolvakanties waren de hel’

Nathalie (28) werd als kind ernstig mishandeld door haar moeder. Een moeder die er vervolgens alles aan deed om de buitenwereld te doen geloven dat haar dochter loog over wat er thuis gebeurde. ‘Dan zei ze: Let op hoor, Nathalie deugt niet.’     #WeekTegenKindermishandeling

‘Ik weet nog goed dat ik een bloem voor mijn moeder had geplukt langs de kant van de weg. Vijf jaar oud was ik. Ik werd geslagen en geschopt omdat ik had gestolen van gemeentegrond. En daarom verdiende ik straf.

In families worden tradities doorgegeven. Bij ons is dat de traditie van geweld. Je ziet het terug bij mijn voorouders. Mijn opa was bijvoorbeeld gewelddadig. Als hij zei: ‘opa’s handen jeuken’, dan kon je maar beter wegwezen. Ik weet dat mijn moeder door hem is mishandeld; geweld zat haar in het bloed.

Ik vind het nog altijd moeilijk om te vertellen wat er bij ons thuis gebeurde. Ik ben geschopt, geslagen, uitgescholden, vernederd en voor gek verklaard. Wat ik ook deed, het was nooit goed. Mijn moeder vond altijd wel een reden om me te straffen. Op de meest walgelijke manieren. Soms gingen mijn ouders op vakantie en lieten ze mij achter bij mijn opa. Om me te straffen voor iets waarvan ik zelf niet begreep waarom ik er straf voor had verdiend. Terwijl ze wisten hoe hij was!

Nooit kreeg ik steun van mijn ouders; ook niet toen ik gepest werd op school of toen ik werd aangerand door de buurjongen. In plaats daarvan kreeg ik klappen. Omdat ik zou liegen. Kreeg ik hulp van anderen, bijvoorbeeld van vriendinnen of van hun moeders, dan maakte mijn moeder dat kapot. Niemand mocht dichtbij me komen.

Mijn moeder was daar altijd mee bezig. Was ik na een afranseling onderweg naar een vriendinnetje, dan belde mijn moeder daar alvast naartoe om te vertellen dat ze me niet moesten geloven. Altijd was ze bezig om anderen, zoals mijn leraren en mentoren op school, te vertellen dat ik een leugenaar was. “Let op hoor”, zei ze dan, “Nathalie deugt niet, ze liegt dat ze barst.” Overal werd ik zwartgemaakt, zodat niemand me zou geloven als ik zou praten over wat er thuis met me gebeurde. Terwijl ik er niet eens over dúrfde te praten, zo bang was ik om weer straf te krijgen.

Toen ik een jaar of twaalf was, kwam het besef: dit klopt niet. Ik zat in de brugklas en zag bij een vriendin thuis hoe het ook anders kon. Als zij een onvoldoende haalde op school, dan werd ze getroost. Als ik een onvoldoende haalde, zag ik alle hoeken van de kamer. Zo ontdekte ik dat ik alleen maar wat waard was als ik presteerde; als ze over me konden opscheppen.

Schoolvakanties

Het was voornamelijk mijn moeder die me mishandelde, mijn vader die veel weg was voor zijn werk, kreeg er weinig van mee. Maar toen ik uiteindelijk aan hem vertelde hoe erg het was, zei hij dat ik het er dan zelf wel naar zou hebben gemaakt. Hij gaf mij de schuld, zei dat ik niet zo vervelend tegen mijn moeder moest doen.

De situatie werd hoe langer hoe slechter. Mijn moeder opende mijn post, luisterde mijn telefoongesprekken af, checkte mijn mailverkeer. Zelfs mijn dagboeken las ze. Ondertussen werd ze agressiever, had ze heftige woedeaanvallen en bleef ze maar tegen me schreeuwen. Op school ging het ook al niet goed; ik haalde veel onvoldoendes.  

Toch was school een soort veilige haven voor me. Er stond een bankje in de hal. De conciërges zeiden altijd tegen me: als je slaagt, graveren we je naam erin. Ze moesten me namelijk iedere dag om vijf uur van dat bankje afsturen als de school dichtging. Want naar huis wilde ik niet. Schoolvakanties waren de hel voor me, want dan was ik weer een paar weken aan mijn ouders overgeleverd. Huilend fietste ik dan naar huis. Daar kroop ik dan vaak weg in de kast op mijn kamer.   

Op mijn veertiende raakte ik in een depressie. School wist ervan, maar mijn ouders niet. Toen ik suïcidaal werd, hebben ze mijn ouders gebeld. Ik werd naar een psycholoog gestuurd en kreeg allerlei onderzoeken die moesten aantonen hoe erg het met me gesteld was. Mijn ouders zochten de problemen buiten zichzelf. Er was iets mis met mij en dat zouden ze bewijzen ook. Toen er uit de onderzoeken niet kwam wat ze hadden gehoopt, werden ze kwaad. Volgens hen had ik de boel tijdens de testen belazerd.

Briefje

Ik was zestien toen ik wegliep van huis. Mijn moeder had dagenlang niet tegen me gesproken en op één of andere manier was dat de druppel. Stiekem pakte ik een tas in en vertrok. Ik had een briefje achtergelaten met daarop mijn excuses. Toen mijn moeder dat briefje vond, belde ze me en zei: ik wens je een prettig leven. Voor ik iets terug kon zeggen hing ze op. Die nacht sliep ik bij een vriendin. Daarna ging ik van logeeradres naar logeeradres tot ik door jeugdzorg naar een pleeggezin werd gebracht. Het was vreselijk. Deze mensen deden heel naar tegen me, wisten niet wat ze met me moesten. Mijn pleegvader gaf me op een dag een handvol medicijnen en zei: je kunt er maar beter niet meer zijn.

Ik vroeg aan iedereen die ik kende of ik daar mocht komen wonen. Na wat omzwervingen, kon ik terecht bij de zus van een bekende. In dat gezin heb ik drieënhalf jaar gewoond. Het was wel duidelijk dat ik niet terug kon naar mijn ouders; zij wilden me niet meer hebben. Ik had hen te veel pijn gedaan, zeiden ze. Ze zeiden: of je vertelt dat je hebt gelogen over de situatie thuis of je bent dood voor ons. Dat was de laatste keer dat ik mijn ouders heb gezien. Het was op een dinsdag, ik was zeventien jaar oud, en het was alsof de wereld verging.

Ik had me altijd al eenzaam gevoeld en dat werd nu alleen maar erger. Ik was nu écht helemaal alleen; het voelde alsof ik continu naakt rondliep. Door van huis weg te lopen, wilde ik mijn ouders laten zien hoe ongelukkig ik was en dat ik hun liefde en aandacht nodig had. Ik had al van alles geprobeerd en niets werkte. Zelfs dit niet. Als ik er nu zo over nadenk, maakt het me ook wel boos. Een kind hoort liefde en bescherming te krijgen, maar dat heb ik nooit gehad.

Een paar jaar geleden heb ik nog een keer met mijn ouders gebeld. Mijn moeder had toen een nieuwe theorie: dat ik als kind in een psychose zou zijn beland en dat ik daarom denk dat al die nare dingen met me zijn gebeurd. Dat was de zoveelste klap voor me. Ze doen er nog steeds alles aan om anderen te laten geloven dat mijn verhaal gebaseerd is op leugens. Mijn moeder zei dat ik mezelf een posttraumatische stressstoornis heb aangeleerd. Het gekke is dat ik haar theorie soms zelfs bijna ga geloven. Dan hoor ik weer die stem van mijn moeder die me vertelt dat ik lieg, dat ik gek ben, dat ik een stoornis heb. Dat ik niet geboren had mogen worden. Dat de wereld beter af is zonder mij. Die stem gaat maar niet weg.

Kindermishandeling

Nu, op mijn achtentwintigste, begint pas een beetje tot me door te dringen wat er thuis allemaal is gebeurd. Maar ik krijg het nog steeds moeilijk mijn strot uit: ik ben slachtoffer van kindermishandeling. Kindermishandeling, wat een woord. Ik wil het eigenlijk niet geloven, wil dat het niet waar is. Maar het is wél waar; ik leef nog iedere dag met de gevolgen ervan. Steeds als ik iemand mijn naam hoor zeggen, krimp ik ineen, bang voor straf. Ik kan dagen van slag zijn door een woord, een gesprek, een herinnering. Ik heb herbelevingen, nachtmerries, angstaanvallen. Mijn ouders doen me nog iedere dag pijn, ook al heb ik ze al jaren niet gezien of gesproken. Ook de rest van de familie zie ik niet meer. Iedereen heeft afstand van me genomen. Af en toe vraag ik me af: als ik ga trouwen, wie zit er dan voor mij?

Iedere dag voer ik een strijd. Ik voel me alleen en ben bang. Nog altijd heb ik het idee dat ik mijn plekje op de wereld niet verdien, dat de wereld inderdaad beter af is zonder mij. Als ik bijvoorbeeld naar therapie ga, denk ik dat mijn therapeut wel wat beters te doen heeft, dat er mensen zijn die het veel erger hebben getroffen dan ik. Ik vind dat ik de hulp die ik krijg niet verdien.

Hoe ik de toekomst zie? Dat hangt ervan af hoe het met me gaat. Soms lijkt het allemaal wel oké, maar er zijn ook nog altijd dagen dat ik liever dood wil. Op die dagen ben ik bang om over de toekomst na te denken. Dan denk ik alleen maar: hoe krijg ik dit uit me? Hoe kom ik los van deze shit? Wanneer houdt het op? En ik blijf maar twijfelen: is mijn waarheid wel de waarheid? Of is dat die van mijn moeder. Eén van ons is klaarblijkelijk gek. Maar wie?’

Het verhaal van Nathalie was eerder al eens te lezen in Fier Magazine. In het kader van de Week Tegen Kindermishandeling (16-22 november 2020) zetten we het nu opnieuw in.