Reactie op onderzoek Nationaal Rapporteur Mensenhandel: ‘Het wordt tijd voor concrete acties'

Gepubliceerd op 10 november 2017
Reactie op onderzoek Nationaal Rapporteur Mensenhandel: ‘Het wordt tijd voor concrete acties'

Nederlandse gemeenten schieten tekort in de aanpak van mensenhandel. Dat zegt de Nationaal Rapporteur Mensenhandel in de gisteren verschenen Tiende rapportage mensenhandel. Het Centrum tegen Kinderhandel en Mensenhandel (CKM), onderdeel van Fier, vindt dat het tijd is voor actie. Directeur Anke van Dijke: ‘Al in 2015 concludeerde de Commissie Lenferink, na onderzoek in opdracht van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en opvanginstellingen, dat gemeenten verantwoordelijkheid moeten nemen voor de zorg en opvang van slachtoffers. Helaas is dit nog lang niet overal het geval.’

In 35 procent van de gemeenten heeft men geen idee of mensenhandel voorkomt. Hoe kleiner de gemeente, hoe vaker het aan zicht ontbreekt, blijkt uit het rapport van Corinne Dettmeijer, de Nationaal Rapporteur. Ruim 95 procent van de gemeenten geeft aan geen specifiek beleid te hebben. Van Dijke: ‘Veel gemeenten realiseren zich niet dat mensenhandel overal voorkomt: niet alleen in de grote steden maar ook op het platteland. Het rapport van Dettmeijer dient hopelijk als eyeopener voor veel gemeenten, zodat zij hier actief mee aan de slag te gaan. Er moeten landelijk veel meer zorgcoördinatoren mensenhandel worden aangesteld zodat elke regio een zorgcoördinator heeft die gemeenten kunnen ondersteunen bij het beleid, het vergroten van kennis en het regelen van de zorg.'
 
In Friesland, waar de hoofdlocatie van Fier is gevestigd, is al enkele jaren zorgcoördinator werkzaam. Deze functie is onderdeel van een integrale ketenaanpak van mensenhandel in de Friese gemeenten. De zorgcoördinator werkt nauw samen met de ketenregisseur van het Veiligheidshuis en het team Mensenhandel van de politie. Elke drie weken bespreken ze nieuwe en lopende zaken.  ‘Er is een goede afstemming tussen de partijen en je ziet dat het helpt om heldere afspraken te maken’, zegt Van Dijke. ‘Alle partijen hebben het onderwerp hoog op de agenda en door korte lijnen kunnen we snel acties ondernemen.’

Herkennen

Uit onderzoek van de Nationaal Rapporteur blijkt dat 50 procent van de medische professionals die meededen aan het onderzoek in contact komt met slachtoffers van mensenhandel, maar dat artsen niet weten hoe ze met deze situaties om moeten gaan. Dettmeijer pleit ervoor mensenhandel op te nemen in de meldcode Huiselijk Geweld en Kindermishandeling. ‘Daarbij is het belangrijk dat er trainingen komen zodat medische en andere zorgprofessionals de signalen herkennen en weten wat ze moeten doen’, zegt van Dijke.
‘De problematiek bij Nederlandse slachtoffers is inmiddels redelijk bekend. Maar als we kijken naar buitenlandse slachtoffers van Mensenhandel is dit nog echt een heel onbekend terrein voor veel professionals. Wij zien bijvoorbeeld bij Afrikaanse vrouwen zware trauma’s door misbruik, mishandelingenen ander geweld in hun land van herkomst, tijdens de reis of hier in Nederland. Ze hebben écht specialistische behandeling en opvang nodig om aan hun ernstige trauma’s te kunnen werken. Daar moet meer oog voor komen.’

Kwetsbaar

Dettmeijer onderzocht hoe Nederland omgaat met de bescherming van deze buitenlandse slachtoffers van mensenhandel. Zij hebben recht op een speciale regeling; tijdens de zogenoemde ‘bedenktijd’ kunnen slachtoffers niet het land uit worden gezet. Maar in de praktijk blijkt dat hier heel wisselend mee wordt omgegaan. Van Dijke: ‘Deze vrouwen zijn zo kwetsbaar door wat ze hebben meegemaakt, dat deze tijd echt nodig is. Als ze zomaar het land uit worden gezet, is de kans op herhaling van het geweld erg groot.’